Dauwpunt
In de lucht om ons heen zit een hoeveelheid verdampt water. De hoeveelheid
water die in de lucht opgenomen kan worden is afhankelijk van de temperatuur
van de lucht. We meten deze met de
relatatieve vochtigheid van de lucht.
Als er bijvoorbeeld 80% relatieve vochtigheid in de
lucht gemeten wordt, bij bijvoorbeeld 15 graden Celcius, dan kan dat vocht
er onbeperkt in blijven zitten.
Wordt die zelfde lucht door de zon opgewarmd, dan kan de warmere lucht juist
meer vocht bevatten, dus gaat de relatieve vochtigheid omlaag.
Gaat de temperatuur echter omlaag, dan kan er juist minder waterdamp in de
lucht worden opgeslagen. De relatieve vochtigheid zal daardoor stijgen.
Wordt de temperatuur nog lager, zal de relatieve vochtigheid nog verder
stijgen. Maar ergens komt er een moment tijdens de temperatuursdaling, dat
de luchtvochtigheid niet verder meer kan stijgen omdat de verzadiging, ofwel
100% relatieve luchtvochtigheid bereikt is. Meer water kan er niet in lucht
worden opgenomen.
Dit punt, bij deze temperatuur, noemen we het dauwpunt. Als het
hierna nog kouder wordt moet er water uit de lucht worden afgevoerd in de
vorm van dauwdruppeltjes. Deze dauw slaat neer op horizontale voorwerpen.
Denk hierbij aan grasvelden die nat worden, auto's en andere vooral koude
voorwerpen waarop waterdamp kan condenseren.
Als de dauwdruppeltjes condenseren terwijl het vriest, valt het neer in de
vorm van rijp.
In de lucht zitten talloze stofdeeltjes waarop
eveneens condensatie kan plaatsvinden. Er ontstaan eindeloos veel kleine
waterdeeltjes die niet zwaar genoeg zijn om naar beneden te vallen. Al die
kleine waterdeeltjes bij elkaar noemen we een wolk. Zit die wolk vlak bij
het aardoppervlak, dan spreken we van nevel* of mist.
* Nevel onstaat vaak na een warme dag aan het einde van de
zomer. Rond zonsondergang koelt het plotseling
sterk af. De hoeveelheid vocht in de lucht kan geen kant op en er
ontstaan van die schitterende nevelflarden
boven sloten en weilanden.
|